De jongere met een negatief zelfbeeld gaat zich steeds op een negatieve manier vergelijken met anderen: het zal vaker kritiek hebben op zichzelf, zichzelf minder mooi, goed of slim vinden en anderen (in hun omgeving of van tv/tijdschriften) ophemelen.
De jongere heeft moeite om voor zichzelf op te komen en ervaart een gevoel van leegte: dit uit zich meestal in een zekere mate van lusteloosheid, nergens aan beginnen, het er bij laten als er iets is gebeurd wat niet leuk was en niet ingrijpen.
Bij de lusteloosheid kunnen ook sombere gevoelens, neerslachtigheid en gevoelens van hulpeloosheid voorkomen: de jongere heeft negatieve gedachten en verliest de hoop dat het beter zal worden.
De jongere trekt zich terug, spreekt minder af met vrienden/vriendinnen en is duidelijk minder vrolijk en onbezorgd.
Jongeren (en kinderen) met een laag zelfbeeld reageren in conflictsituaties sneller onhandig, veel te boos of juist erg angstig.
Deze kinderen lopen een groter risico om het mikpunt van pesters te worden.
Bij kinderen valt onzekerheid op wanneer ze zich anders gedragen dan dat ouders of leerkrachten van ze gewend zijn.
Kinderen kunnen bijvoorbeeld in bepaalde situaties opvallend verlegen, onrustig of juist druk/grappig (clownesk) gedrag laten zien.
Het kan ook dat het kind via lichamelijke klachten ‘laat weten’ dat het niet lekker in zijn vel zit.
Bijvoorbeeld buikpijn, hoofdpijn, eczeem of andere uitslag, misselijkheid of moe/geen energie hebben.