Elk land kent zijn eigen gebarentaal, die los staat van de gesproken taal van de horende mensen.
Daarnaast kunnen er ook regionale varianten bestaan, vergelijkbaar met de gesproken dialecten.
Voorbeelden van landelijke gebarentalen zijn NGT (Nederlandse Gebarentaal), VGT (Vlaamse Gebarentaal) en ASL (American Sign Language).
Vingerspelling wordt in gebarentalen gebruikt als een hulpmiddel voor het spellen van namen of woorden waar nog geen gebaar voor bestaat.
Gebarentalen met een sterke historische band met de (oud) Franse Gebarentaal (LSF): De Franse Gebarentaal (LSF), de Amerikaanse Gebarentaal (ASL), de Vlaamse Gebarentaal (VGT), de Nederlandse Gebarentaal (NGT), de Ierse Gebarentaal, de Frans-Belgische Gebarentaal (LSFB).
Gebarentalen die gebruikt worden in vele landen van het Gemenebest van Naties: De Britse Gebarentaal (BSL), de Nieuw-Zeelandse Gebarentaal (NZSL) en de Australische Gebarentaal (Auslan).
Gebarentalen met een historische band met de Japanse Gebarentaal: De Japanse Gebarentaal, de Taiwanese Gebarentaal, de Koreaanse Gebarentaal.
In het verleden zijn er wel eens gebarentalen ontwikkeld in horende gemeenschappen.
Soms worden eenvoudige gebaren ontwikkeld in situaties waarin praten niet praktisch is, bijvoorbeeld bij het duiken, in filmstudio's, op luidruchtige werkplekken, tijdens de jacht.
Post-linguaal doven (ook bekend als plots- en laatdoven) gebruiken een communicatievorm, waarbij de gesproken taal wordt ondersteund met gebaren.