Om de diagnose PTSS te stellen zijn er een aantal symptomen: dwanggedachten en herinneringen (flashbacks of nachtmerries).
Steeds willen vermijden van mensen of plekken die herinneringen oproepen aan de traumatische gebeurtenis.
Negatieve veranderingen in cognities en stemming, zoals overdreven negatieve overtuigingen over zichzelf of verminderde interesse voor belangrijke activiteiten.
Verhoogde alertheid (arousal) en reactiviteit.
De symptomen zijn langer dan een maand aanwezig.
Bij PTSS met dissociatieve symptomen zijn ook aanhoudende en terugkerende symptomen aanwezig van depersonalisatie of derealisatie.
Dat betekent dat een kind zich vervreemd kan voelen van het eigen lichaam, alsof het kind zichzelf van buitenaf waarneemt (depersonalisatie); of het gevoel alsof de omgeving niet echt is, als in een droom, veraf of vervormd (derealisatie).
Soms weet een kind niet meer wat het heeft gedaan, is er wisselend jonger en ouder gedrag of een sterke verandering in persoon.